Slasoorten
Slasoorten Lactuca sativa L. Compositae /1303/
De verschillende slavarianten behoren tot de soort Lactuca sativa L. en tot de familie van de samengesteldbloemigen of Compositae. Naast de vele slasoorten behoren ook de andijviesoorten, witlofsoorten, schorseneer en artisjok tot deze uitgebreide familie. Daarnaast behoren nogal wat bloemisterijproducten (zonnebloem, gerbera, chrysant) en (on)kruiden (kamille, knopkruid, kruiskruid) tot deze familie.
Het is niet eenvoudig om de verschillende slatypen uit elkaar te houden.
Via de officiële Latijnse naamgeving wordt getracht hierin duidelijkheid te scheppen.
Botersla of kropsla stamt waarschijnlijk af van wilde sla, een plant die in grote delen van de gematigde streken van Europa, West-Azië en Noord-Afrika voorkomt.
De geschiedenis van sla als cultuurgewas is al heel oud. Het werd al in 550 v. Chr. aan de Perzische hoven gebruikt en omstreeks die tijd in Egypte als hoofdgroente gegeten, vermoedelijk gekookt als spinazie. Uit tekeningen uit het oude Egypte blijkt dit een soort bindsla te zijn geweest.
Wanneer sla in Europa werd geïntroduceerd is onbekend; zeker is echter dat de Grieken de slacultuur van de Egyptenaren overnamen.
Kropsla werd pas omstreeks 1540 voor het eerst in Europa beschreven. Terwijl de Zuid-Europese landen zich vooral toelegden op de teelt van de hardere bindsla (kooksla of stoofsla), legden de midden- en Noord-Europese landen zich vooral toe op de teelt van de zachtere botersla. De oudste - thans nog bekende - kropslarassen zijn omstreeks 1750 geïntroduceerd.
Ook in de USA wordt sinds het begin van de emigratie botersla geteeld, maar als gevolg van de slechte houdbaarheid is deze daar sinds 1930 geheel verdrongen door de beter houdbare ijsbergsla. Ook ijsbergsla heeft de Latijnse naam Lactuca sativa L. var. capitata.
Een geheel andere ontwikkeling is te vinden in Oost-Azië, met name in China, waar sla tussen 600 en 900 n. Chr. werd ingevoerd. De Chinezen leggen zich vooral toe op de teelt van sla, waarvan de stengel gegeten wordt. Dit is de zgn. aspergesla. Deze wordt daar reeds gedurende lange tijd als volksvoedsel gegeten.
Evenals in de andere West-Europese landen heeft men zich in Nederland ook in eerste instantie uitsluitend op de teelt van kropslasoorten gericht. Tot 1900 vond de teelt uitsluitend in de vollegrond plaats. In het begin van de 20e eeuw ontstond de teelt onder plat glas, nog later werd deze teeltwijze vervangen door de teelt onder staand glas. In toenemende mate wordt thans ook aandacht besteed aan de teelt van diverse plukslatypen.
Er zijn verschillende slasoorten, waarvan Kropsla de belangrijkdste is. Alle Kropsla-rassen en alle IJsslatypen behoren tot de groep: Kropsla. Kropsla is één van de vier belangrijkste tuinbouwprodukten die in Nederland onder glas worden geteeld.
Soms bevat het celsap de stof anthocyaan die het blad rood kleurt, vooral bij een droge lage temperatuur.
Kropsla wordt in Nederland onder glas en in de vollegrond geteeld, en is één van de grotere glasgroentegewassen.
Door de voortdurende discussie over het nitraatgehalte in Kropsla, en de veranderende voorkeur van de consument richting IJssla, is de teelt van Kropsla in Nederland sterk terug gelopen. Door meerdere typen sla en zwaardere sla te telen heeft men geprobeerd deze teruggang te stuiten, maar dat is slechts gedeeltelijk gelukt omdat het moeilijk is om in het seizoen van de glassla, ijssla onder glas te telen.
De teelt van Kropsla in de vollegrond is de laatste jaren ook ingekrompen, maar is gepaard gegaan met een sterke uitbreiding van de teelt van IJssla.
De laatste jaren staat het nitraatgehalte van Kropsla negatief in de belangstelling.
Nitraat kan worden omgezet in nitriet, wat blauwzucht kan veroorzaken, en kan daarnaast in het lichaam een bouwstof zijn voor een kankerverwekkendeverbinding. Dit heeft ertoe geleid dat er nu normen gelden voor een maximum nitraatgehalte in Kropsla.
De normen zijn, om volksgezondheidsredenen, tussen 1 november en 1 mei een nitraatgehalte van hoogstens 4.500 ppm en tussen 1 mei en 1 november
2.500 ppm.
Voor Kropsla van de vollegrond lijkt nitraat weinig problemen op te leveren.
De kleur van het blad van Kropsla kan variëren van lichtgroen tot donkergroen, deze kleuren worden door de consument niet erg op prijs gesteld, omdat een te lichte kleur duidt op een te zachte gevoelige sla en een te donkere kleur wordt vaak geassocieerd met dik en stug blad.
De consument wil een dunbladige, malse, blonde en vooral een goed gevulde Kropsla.
