Cox's Orange Pippin
Cox’s Orange Pippin De Cox’s, genoemd naar de Britse kweker M. Cox uit Colnbrook die dit ras omstreeks 1830 won uit het zaad van de ‘Ribston Pippin’, wordt wel de ‘koning onder de tafelappels’ genoemd, waarschijnlijk door het karakteristieke aroma. Het is een platronde, regelmatig gevormde appel, groengeel van kleur met aan de zonzijde een helder gestreepte blos en met witgeel, knappend en sappig vruchtvlees. Een goede handappel, geschikt ook voor sap maar voor appelmoes alleen te gebruiken in combinatie met andere rassen, vanwege het kenmerkende aroma.
Koralle
Uit het klonenonderzoek bij Cox’s Orange Pippin is naar voren gekomen dat Koralle voor wat betreft groei, bloei en pluktijd niet afwijkt van standaard Cox's. De vruchtkleur is echter nogal donkerrood, waarbij in de meeste jaren de achterzijden van de vruchten nogal gestreept kunnen zijn. Ook kan soms vrij sterke verruwing optreden, vooral rond de kelkholte. De maatsortering is goed, waarschijnlijk mede door de geringere produktiviteit van deze kloon. Vanwege de streperigheid, de verruwing en de vooral bij jonge bomen te donkerrode kleur wordt aanplant in het algemeen niet meer aanbevolen.
Queen Cox
Uit het klonenonderzoek bij Cox's Orange Pippin is de laatste jaren naar voren gekomen dat Queen Cox een gladde en produktieve kloon is met een goede maatsortering en een vruchtkleur tussen die van standaard Cox's en de donkerrode mutanten als Koralle en Kummer Cox. Het type blos is wat bruin- tot oranjerood. Er kunnen bomen voorkomen met vruchten waarvan de kleur overeenkomt met die van vruchten van T12, waarbij dan wel de kenmerkende gladheid van de schil behouden is. Ook kunnen vruchten voorkomen met één of meer minder gebloste sectoren op de vruchtschil (chimaeren). In het gebruikswaarde-onderzoek zal de selectie binnen Queen Cox worden voortgezet.
Er zijn meer dan 50 mutanten/klonen van Cox’s Orange Pippin bekend (2002)
Beschrijving door Dick Pijpers ©2011
